Voor mijn vader (Uit: Mijn boek 'Achter een paar mooie hardloopbillen')

Alzheimer. Ooit zei iemand die uit ervaring sprak: “Het enige ‘voordeel’ van deze ellendige ziekte is dat je langzaam afscheid kunt nemen van degene van wie je houdt.” Mijn vader had Alzheimer. Sinds eind 2003 woonde hij in een verzorgingshuis. Daar doorliep hij alle fasen van de ziekte. Waar we sommige medebewoners zagen arriveren en in een korte tijd zagen wegvallen, deed mijn vader het op zijn eigen manier. Elke fase betekende weer een andere vorm van verdriet. Je liet steeds weer een stukje gaan. Maar met een positieve blik bracht elke fase ook weer andere mogelijkheden met zich mee. Ik mocht hem nu bijvoorbeeld scheren en helpen bij het eten. Net zoals hij mij vroeger hielp. Praten was voor hem al erg moeilijk geworden. Mijn naam zei hij al lang niet meer. Of heel soms toch nog opeens zomaar. Maar ik hoefde alleen maar in zijn ogen te kijken om te weten dat hij voelde dat ik bij hem hoorde. Dat het goed was. Dat hij wist dat ik van hem hield. Dat hij wist dat ik wist, dat hij van mij hield. Net zoals we voor altijd van elkaar zullen blijven houden.

Mijn vader is geboren in Batavia in Nederlands Indië. Zijn familie werd verwoest door de Tweede Wereldoorlog. Mijn vader was 12 jaar oud toen zijn vader werd gevangen, tewerk werd gesteld aan de Birmaspoorlijn en uiteindelijk werd vermoord. Mijn vader was 19 toen zijn moeder overleed. Stel je eens voor: je bent 19 jaar oud en wees. Of beeld je dit eens in: je vertrekt op je 25e naar Nederland en keert nooit meer terug naar je geboorteland aan de andere kant van de wereld. Hier in Nederland vervult hij zijn militaire dienstplicht en wordt beroepsmilitair. Daarna werkt hij als ambtenaar in dienst van ons land. Hij ontmoet mijn moeder. Ook zij heeft net de overtocht uit Nederlands Indië gemaakt. Ze trouwen en krijgen vijf kinderen en dertien kleinkinderen.

Als ik in mijn jeugd wel eens boos was op mijn vader, hoefde mijn moeder alleen maar te zeggen: “Ach Alvin, die man doet alles voor jou.” Dat was voldoende om in te zien hoe onredelijk ik was. Want mijn vader deed inderdaad alles voor mij. Een van onze mooiste tijden samen was de zomer van 1990. Ik had tijdens mijn eerste studiejaar dagelijks op en neer gependeld vanuit Waddinxveen naar Rotterdam, maar had nu een etagewoning gevonden in de grote stad. Een mooie plek voor mijzelf, waar nog wel het nodige opknapwerk aan moest worden gedaan. Het was tevens de zomer van het WK voetbal in Italië. ’s Ochtends vertrokken we dan samen in zijn rode Suzuki Alto vanuit Waddinxveen naar Rotterdam. Daar werkten we samen om de woning nog voor het nieuwe studiejaar gereed te maken. Mijn vader deed eigenlijk het werk. Ik hielp hem waar ik kon. Aan het einde van de middag reden we dan samen weer snel terug naar Waddinxveen, zodat we nog op tijd terug waren voor de dagelijkse wedstrijden. Zo ging dat wekenlang door, totdat het WK was afgelopen, mijn etagewoning klaar was en het nieuwe studiejaar op het punt stond te beginnen. Als ik later tijdens mijn studie wel eens ziek was, hoefde ik maar even te bellen en mijn vader stond een uur later voor de deur om mij te halen en mee te nemen. Als ik vrijdags naar huis kwam stond mijn vader mij altijd op te wachten op station Gouda. Altijd in zijn rode Suzuki Alto.

Mijn moeder overleed in 1997. We misten haar verschrikkelijk. De band met mijn vader werd daardoor nog hechter. Er brak een nieuwe fase aan. Een fase waarin onze rollen zich omdraaiden. Nu moest ik voor hem gaan zorgen. Ik woonde inmiddels in Leeuwarden, had mijn eerste baan, mijn rijbewijs en mijn eerste eigen auto. Vele weekenden ging ik naar hem toe en brachten we samen door. Eerst hij en ik samen. Daarna met mijn vrouw erbij. Weer wat later met ook onze zoon erbij. Als we vrijdags bij hem aankwamen wisten we altijd wat ons te wachten stond: rijst, hete kip en groentesoep. Een beter begin van ons gezamenlijk weekend konden we ons niet voorstellen. Op zaterdag naar Gouda de stad in, bloemen kopen voor op mama’s graf, samen eten en gewoon bij elkaar zijn. Wanneer we hem dan op zondag weer alleen lieten vertrok ik altijd met een brok in mijn keel. Alsof ik hem in de steek liet.

Het waren mooie, bijzondere, maar soms ook wel zware jaren. Dat werd erger toen hij zo rond 2002 erg vergeetachtig werd. Hij ging steeds slechter voor zichzelf zorgen en ging zienderogen achteruit. Vlak voor Kerst 2002 werd hij opgenomen in het ziekenhuis. Niet lang daarna was ik samen met hem in het ziekenhuis toen begin 2003 de diagnose werd gesteld: mijn vader had Alzheimer. Ik denk dat we ons onvoldoende realiseerden wat voor impact dit zou hebben op onze levens. Gaandeweg werd dat natuurlijk keihard duidelijk. Maar ondanks het verdriet konden we zelfs toen nog lachen met elkaar. Zo zaten we een keer samen in de wachtkamer bij de geriater. Op het moment dat “meneer Sibbald” wordt omgeroepen draait mijn vader zich naar mij om, kijkt mij uiterst serieus aan en vraagt: “Wie? Jij of ik?”

In de maanden daarna deden we ons best om zo goed mogelijk voor hem te zorgen. Maar zijn ziekte zette door. Bijna een jaar later was thuis wonen niet meer verantwoord. Ik voelde mij vreselijk schuldig toen hij naar het verzorgingshuis ging. Toen ik hem die eerste avond aan de telefoon had, was hij echter in opperbeste stemming. Hij had opeens weer allemaal mensen om zich heen en genoot van de aandacht en aanspraak. Op de vraag of hij dus wel een nachtje wilde blijven antwoordde hij: “Wat? Een nachtje? Ik blijf hier wel een jaar!”

Alles veranderde. Maar hij bleef onderdeel van ons leven. Steeds opnieuw probeerde ik weer een andere manier te vinden om met hem te praten. Een opleving was er toen ik erachter kwam dat hij het Maleis van vroeger nog aardig onder de knie had. Ik kocht snel een oud woordenboek en vroeg van vele woorden de Nederlandse vertaling. Vooral mijn zoon moest ontzettend lachen als mijn vader ons zonder moeite vertelde wat ‘nenek trembel’ of ‘pantat besar’ betekende. Wat later vond ik tussen de spullen die ik voor hem bewaarde prachtige foto’s van vroeger. Ik heb er een fotoboek over zijn leven van gemaakt. Aan het einde van dat boek staat een collage op de linkerpagina en een grote glimlachende foto van hem op de rechterpagina. Alsof hij denkt: dat heb ik zo verkeerd nog niet gedaan, toch? Nou Pap, je hebt het fantastisch gedaan!

Op 5 februari 2010 is mijn vader heel vredig en rustig overleden. In het bijzijn van kinderen, kleinkinderen en schoonkinderen. Met zijn hand in mijn hand. Op 10 februari hebben we hem begraven. Hij werd geboren in de ‘Tropen’ en begraven in de sneeuw… Hij is weer samen met mijn moeder.

Toen de diagnose ‘Alzheimer’ werd gesteld, is ons ook verteld dat er eigenlijk niets tegen te doen is en er ook geen medicijnen voor zijn. Ik heb dat destijds eigenlijk zonder vragen geaccepteerd. Daar heb ik mij later erg schuldig over gevoeld. Had ik niet beter navraag moeten doen? Hadden we niet ergens mee kunnen experimenteren? Was het wel echt Alzheimer? Inmiddels weet ik wel beter, maar je wilt toch zo graag wat doen. Ik hoop dat er snel een middel tegen deze vreselijke ziekte wordt gevonden.

De laatste dagen van zijn leven hebben we continu doorgebracht in het verzorgingshuis. Je denkt na ruim zes jaren aardig te weten hoe het leven en werken er daar aan toe gaat. Maar pas op het einde zie je dat pas echt door er dag en nacht te zijn. Hoe kwetsbaar de bewoners zijn. Met hoeveel toewijding de zorgverleners hun werk doen. Daarom richt ik het Rudi Sibbald Fonds op. Uit dit fonds zullen concrete projecten in verzorgingshuizen worden ‘gesponsord’. Projecten waarmee we de kwaliteit van leven van Alzheimer patiënten maar ook de kwaliteit van werken van hun zorgverleners beter kunnen maken.

Van de opbrengst van dit boek wordt dan ook 10% gedoneerd aan het Rudi Sibbald Fonds. Mijn vader heeft er zelf helaas niets meer aan. Maar wellicht wel anderen in de toekomst. Wellicht wij zelf wel.

(Wil je meer weten over mijn boek 'Achter een paar mooie hardloopbillen'? Klik dan hier.)